De architectuur wordt rijkelijk betrokken bij de decoratieve kunsten en bij de talrijke vernieuwende ideeën: vliegtuigen, auto's, passagiersschepen, reizen, draadloze telefonie, nieuwe technologieën, nieuwe materialen; het gewapend beton verschijnt in 1958, maar was al een "vedette" in de architectuur sinds 1905 (garage Ponthieu-Automobiles door Auguste Perret in Parijs).
In die jaren twintig, is Adrien Blomme al lang niet meer de jonge architect, de jonge schoonzoon die zichzelf moet bewijzen, met name in de ogen van zijn schoonvader. Onder de confraters heeft hij zich weten op te dringen, al neemt hij weinig deel aan theoretische twisten. Hij erkent volmondig "niet een modernist van het eerste uur" te zijn.
Hij wordt ontvangen in kunstkringen en maakt mensen als Anto Carte, Wolfers, Ossip Zadkine, Valentine Prax en Fritz Vandenberg tot vriend.
Hij kent de bedrijfswereld, waar hij uit afstamt, en is niet onbekend in industriële milieus sinds hij zich samen met baron Coppée heeft ingezet voor de realisatie van de eerste tuinwijk van ons land, meer dan duizend woningen voor de kolenmijnen van Winterslag.
Al in zijn eerste realisaties, in 1905, drukt Adrien Blomme zich uit zonder de mode te volgen: zijn eigen huis, in de Amerikaansestraat, op een hoekperceel waar het trappenhuis zonder schroom in de gevel prijkt; een huis met stenen puntgevel in de Bucholtzstraat, gebrandmerkt als "modern style" met zijn boogvenster en inspringend terras; of nog de "cottage" in Ukkel, het weekendhuis van zijn schoonouders. Dat hij zoveel verschillende inspiraties volgt, komt door de systematische dialoog die hij voert met zijn klanten. Zijn naam en faam als huizenbouwer is gestoeld op een twintigjarige ervaring, en de bewuste keuze, al die tijd, van hoogbekwame artiesten en ambachtslieden.
Een deel van de oorlog verblijft hij in Engeland, waar hij omgaat met Parker en Unwin; de theorieën neemt hij terug mee, het symbolisme zal hij toepassen in Winterslag. Zijn vader had steenbakkerijen in Rusland, het Verre Oosten, Istanbul, Spanje en Italië; de zoon vergezelt hem op zijn reizen en laat de stroom invloeden op hem afkomen.
Adrien Blomme was een schepper met passie en gevoel. Hij was ook geleerd, en luisterde aandachtig naar de verzuchtingen van zijn klanten; bij hem geen kelderkeukens, trapladders, nauwe donkere gangen, maar gewoon gezellige ruimtes. Semantisch gezien tekent hij een rijke architectuur, die de vormen vereenzelvigt met het karakter van de personen voor wie ze zijn ontworpen.
In 1925-26 ontwaart de firma Cogéni een nieuwe evolutie in de levenskunst. Eerst vraagt zij Adrien Blomme het ontwerp te maken van Terkamerendal, een groepering van gezinshuisjes als in een traditioneel dorp. Vervolgens stelt zij hem een programma voor van "woningen in horizontale lagen". Tja, Minister De Man heeft net in het parlement een betoog gehouden voor het "leven in appartementen, dat het oude egoïsme doorbreekt, het nabuurschap hoffelijker maakt, de verveling verdrijft en de dagelijkse huiselijke taken verlicht".
Nog vandaag benijden sommigen dit gebouw op de hoek van de Duraylaan en de Lied van Sotternieënlaan: witte pleister, een spel van massa's die de aandacht opeisen. Desondanks gaat het herenhuis nog een mooie toekomst tegemoet in Brussel.
Het sociale leven is sinds het einde van de eerste wereldoorlog geëvolueerd. De bescheiden bedrijfsleiders van weleer zijn erkende industriëlen geworden. Hun huizen, vroeger nog palend aan de fabriek, worden voortaan opgetrokken in de wijken rond de Louizalaan of de Natiënlaan.
Onder die industriëlen heeft A. Blomme een potentieel cliënteel behouden.
Wanneer Léon Wielemans, van de gelijknamige brouwerij in Vorst, een grond koopt in de Defacqzstraat om er voor zijn echtgenote een huis te bouwen als ware het een geschenk, belast hij A. Blomme met de verwezenlijking van die meisjesdroom.
L. Wielemans en A. Blomme zijn al jaren bevriend. Deze vrijdenkers, die de liberale tradities voorstaan, delen het enthousiasme van een nieuwsoortige esthetiek.
Yvonne Wielemans is geboeid door Spanje; het echtpaar neemt zijn architect mee naar Granada. Daar maakt hij de eerste schetsen van de constructie, de spreiding van de ruimten in een grote planmatige vrijheid, rond één eis: de realisatie van een patio. Zij kiezen de azulejos, laten ze overbrengen, en opnieuw ontstaat de osmose tussen bouwheer en bouwmeester.
De werkzaamheden aan de Defacqzstraat verlopen moeizaam, want stakingen zorgen voor vele onderbrekingen. Het geheel is indrukwekkend, de tuin een pareltje met fonteinen, watervalletjes en greppels – een lapje Andalusië in Brussel.
Hoe traag het project ook vordert, de klanten zullen dit hun architect nooit verwijten, wel integendeel. Yvonne Wielemans is verrukt, Léon eveneens en hij zal Adrien vragen de nieuwe productiehal in Vorst op te trekken. In de kranten van 1932 is ten tijde van de inhuldiging te lezen: "Hier is geen brouwzaal, maar een monument verrezen".
Adrien Blomme geeft zelf uitleg in het tijdschrift "Emulation": "Van onder aan de grote, heldere glasramen zie je de mensen rondlopen, wat het geheel een levendig karakter geeft." De glimmende brouwvaten, goed zichtbaar voor de voorbijgangers, zijn een verheerlijking van het brouwerschap, maar ook teken van een hechte vriendschap en een gemeenschappelijke kijk op de wereld. Wielemans en Blomme zetten nog creatieve projecten op, zoals de taverne Aux Armes des Brasseurs, en vooral de Cinema Métropole, het meesterwerk van Adrien Blomme.
In het begin van de jaren dertig beleeft hij zijn hoogdagen. Behalve de brouwerij en de Cinema Métropole bouwt hij zijn eigen huis en kantoren aan de Natiënlaan (thans het ambtshuis van de rector en de voorzitter van de ULB) en de tabaksfabriek Gosset in Molenbeek, nu het eigendom van de GOMB.
Vandaag hebben al die gebouwen "met karakter" waarde gekregen en zijn ze opgenomen in het beschermde erfgoed.
De Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest onderscheidt in het werk van A. Blomme, zonder hem meteen in een categorie onder te brengen, vier facetten, vier zienswijzen van eenzelfde schepper, vier weerspiegelingen van een architectuur op een gegeven moment van de levenskunst eigen aan de Brusselse burgermaatschappij (volgens de rangschikking van de KCML):
»
1905: eigen huis in de Amerikaansestraat
» 1938: de villa Gosset, met bijgebouwen en park (een primeur voor de KCML)
» 1931: de brouwerij Wielemans-Ceuppens in Vorst, waardoor de industrie de stad binnendringt, in een architectuur "op de kruising van verschillende tendensen: het functionalisme, het Art Deco en een vleugje Beaux-Arts-stijl", zoals P. Puttemans aangeeft.
» 1927: het "Andalusische" huis van Mevrouw Wielemans.
De Commissie erkent met deze keuze het feit dat, ondanks het pittoreske van de patio, de volumes, ruimtes, de expressie van de straatgevel en de tuingevel, hun uitstekende delen, hun arcadenspel, het ruwe pleister, de torentjes, de overstekken, richels, insprongen en uitkragingen, met recht deel uitmaken van ons architecturaal erfgoed en uitingen zijn van een zeker modernisme tijdens de "années folles" in Brussel.
Ik denk dat het werk van Adrien Blomme moet worden geëerd in die context en voor zijn genereuze kwaliteiten ten aanzien van de stedelijke gemeenschap.
De renovatie van 1997
Het besluit dat het gebouw en de tuin als erfgoed beschermt, geeft een korte beschrijving van het Hotel Wielemans:
"Gebouw ontworpen in 1925 door Adrien Blomme, geïnspireerd door de architectuur van het noorden van Spanje… De woonkamer, in het hart van de woning, is ontworpen als een overdekte patio, waar de grote trap en de belangrijkste kamers op uitgeven: de salons, de eetkamer, het bureau, een slaapkamer en de tuin. De tuin is eveneens getekend volgens een Andalusisch model, waar het water alom stroomt en kabbelt in fonteinen, bekkens en greppels."
Het opzet van het huis werd bepaald tijdens een Spanjereis. Léon Wielemans, zijn vrouw en hun architect bezochten toen de paleizen van het Alhambra van Granada.
Het uitzonderlijke karakter van de binnendecoratie ligt in het gebruik van nagenoeg vijfduizend grestegels: "azulejos, guardillas, tiras verdes… per schip uit Spanje overgebracht en waarvan de plaatsing werd toevertrouwd aan de beste Belgische gespecialiseerde firma, Baudoux (uit Brussel). Het opmerkelijke schrijn- en ijzerwerk vervolledigt dit veelkleurige decor."
De voordeur is smal, en zo ook de vestibule. Dit was een bewuste keuze van architect Blomme: het confronteert de bezoeker zonder overgang en geheel onverwacht met de volumes en het licht van de grote centrale hal van het huis. Die hal, over twee verdiepingen, geeft uit op de tuin met zijn waterpartijen. Hierdoor spreekt van de woning als het ware een magie uit.
Ook wij werden betoverd, en hebben enthousiast gewerkt aan het restauratieproject. Alles is mogelijk gemaakt door een hecht team (Bouwheer, ingenieurs, aannemers en architecten) en door zeer competente vaklieden en arbeiders. De Commissie en de Dienst voor Monumenten en Landschappen van het Brusselse gewest hebben ons bijgestaan met adviezen en een nauwgezet toezicht. We hebben ook mogen rekenen op de hulp van de conservator van het Hortamuseum, de Université Catholique de Louvain en de dienst voor Monumenten en Landschappen van die stad, alsook van diverse andere deskundigen. De heer Eric Wielemans, die in het gebouw is opgegroeid, is zo vriendelijk geweest ter plaatse te komen; op grond van zijn advies en zijn herinneringen hebben wij de oude kleur van de achtergevel terug kunnen vinden en de achterkamer op de tweede verdieping in de oorspronkelijke staat kunnen herstellen.
Het gebouw was structureel in goede staat, maar moest grondig worden gerestaureerd. Dat was dan ook het doel van het hele team, we wilden hier nieuw leven inblazen. Op het eerste gezicht zijn hier weinig veranderingen voor nodig geweest.
Een absolute noodzaak was een constante temperatuur en vochtigheidsgraad in stand houden opdat de eventuele kunstwerken geen schade ondervinden. Het verluchtingssysteem maakt gebruik van alle "verborgen" mogelijkheden van het huis. Om te voldoen aan de eisen van de brandweer, is de diensttrap omgebouwd tot nooduitgang.
Heel wat restauratiewerk is heel mooi uitgevoerd door bekwame ambachtslieden: de zilverbladschilderingen, de parketten, de gevelpleister met schubbenstructuur, het fijne houtwerk, de luchters in glas en lood, de ondermuren, de rolstenen in de tuin, enz.
Dankzij het advies van externe experts en de volharding van het schilder- en afwerkingsbedrijf zijn wij erin geslaagd precies dezelfde materialen te vinden als de originele. De tegels van de hal op de benedenverdieping en van de bekkens in de tuin zijn naar het oorspronkelijke model nagemaakt. De tuin zelf heeft als dusdanig een beschermd statuut. De bestaande planten zijn bewaard, en nieuwe zijn met zorg gekozen op voorstel van de Dienst voor Monumenten en Landschappen. Er is naar gestreefd de geest van de mediterrane tuin van weleer in stand te houden. |